Vervangende toestemming vaccinaties Rijks Vaccinatieprogramma

Een kind is voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld en uiteindelijk krachtens een machtiging uit huis geplaatst. De pleegouders weigeren vervolgens toestemming voor het vaccineren van het kind. Jeugdbescherming heeft de pleegouders via een kort geding voor de rechter gedaagd, nu zij van mening is dat het kind dient te worden gevaccineerd, zeker gelet op het feit dat het kind al een aantal keer ernstig ziek is geweest (hoge koorts, ziekenhuisopname en oogontsteking).

De pleegouders zijn van mening dat informatie op het internet hen ervan heeft overtuigd om niet akkoord te gaan met vaccineren.

Op basis van art. 1:265h BW is bepaald dat indien een medische behandeling van een minderjarige, jonger dan twaalf jaar, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, die toestemming kan worden vervangen door die van de kinderrechter. Hoewel het op basis van dit artikel onvoldoende is komen vast te staan dat het vaccinatieprogramma noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid af te wenden, komt de rechter toch tot een toewijzing.

Op basis van art. 3 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind houdt de rechter er rekening mee dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging dienen te vormen en in de regel de doorslag behoren te geven. Nu het kind op vrij korte termijn vaker (onverklaarbaar) ziek is geweest, is het niet in het belang van het kind dat er geen vaccinatie wordt uitgevoerd. De rechter geeft derhalve vervangende toestemming voor de medische behandeling.

Van Dijk c.s. Advocaten behandelt eveneens zaken op het gebied van het jeugdrecht.

Vindplaats: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2018:4218