Prejudiciële vragen in verband met Kinderalimentatie

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 14 mei 2019 prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad met betrekking tot een niet-wijzigingsbeding ter zake kinderalimentatie. Dit zijn vragen, waarvan de beantwoording vooraf niet alleen van belang is in die zaak, maar van belang is voor de rechtspraktijk. Het gaat dan om de uitleg van een rechtsvraag.

Waar ging het in deze zaak over? Partijen waren gescheiden en er waren 2 kinderen in het spel. Voor het gemak noemen we die hier “minderjarige 1” en “minderjarige 2”. Uiteindelijk is via de rechtbank kinderalimentatie vastgelegd. Naar aanleiding daarvan hebben partijen ook zelf nog een overeenkomst opgesteld waarin zij overeenkwamen dat de man aan de vrouw voor de minderjarige 2 een bedrag van € 325,- per maand zou betalen met een ingangsdatum en dat de bijdrage voor de vrouw en de man voor de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige 1 nihil was.

Daarbij zijn partijen een niet-wijzigingsbeding overeengekomen, inhoudend dat deze afspraak niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van een (positieve) inkomenswijziging of anderszins een verhoging van de draagkracht aan de zijde van de vrouw dan wel aan de zijde van de man.

Vervolgens heeft de vrouw toch een verzoek ingediend tot wijziging van de kinderalimentatie ten aanzien van minderjarige 2, waarbij de vrouw zich op het standpunt stede dat een dergelijk niet-wijzigingsbeding, zoals eerder was overeengekomen, nietig was en in strijd was met de wet.

De man heeft daartegen aangevoerd dat partijen via de overeenkomst bewust waren afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dat verweer is door de rechtbank verworpen omdat partijen weliswaar overeenstemming hadden bereikt over de kinderalimentatie, maar dit hebben gedaan zonder het maken van een berekening. Dat betekent dat er niet gesproken kan worden van een “bewuste afwijking” van de wettelijke maatstaven.

Het volgende verweer van de man was dat er een niet-wijzigingsbeding was overeengekomen en dat dit rechtsgeldig zou zijn.

In beginsel hebben partijen de vrijheid om afspraken te maken over de te betalen kinderalimentatie. De vraag is echter of die vrijheid van partijen om afspraken te maken over kinderalimentatie zich uitstrekt tot een niet-wijzigingsbeding. Daarover wordt in de jurisprudentie en literatuur verschillend gedacht.

Zo oordeelde het Gerechtshof Arnhem en Leeuwarden eerder (ECLI: NL: GHARL: 2017: 4859) dat een niet-wijzigingsbeding nietig is, terwijl het Gerechtshof in Den Haag heeft geoordeeld dat het de ouder vrij staat om afspraken te maken, zolang die afspraken voldoen aan de wettelijke maatstaven. Het is niet toegestaan een niet-wijzigingsbeding op te nemen  met betrekking tot kinderalimentatie, voor zover daarbij wordt afgezien van kinderalimentatie of wordt afgezien van een verhoging bij een toename van inkomsten van de onderhoudsplichtige (ECLI: NL: GHDHA: 2017: 2981).

De rechtbank Oost-Brabant heeft nu de vragen aan de Hoge Raad voorgelegd, namelijk of een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot de kinderalimentatie, gelet op de aard van de onderhoudsverplichting, nietig is en vervolgens of een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot de kinderalimentatie kan worden opgesteld wanneer ten nadele van de onderhoudsgerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke maatstaven.

De Hoge Raad zal dan nu duidelijkheid moeten geven over dit vraagstuk.

Door: Monique Graus