Mestoverschot

Sinds de afschaffing van het melkquotum is het Nederlandse mestoverschot gestegen. De reden hiervan is gelegen in het feit, dat er simpelweg te weinig land is voor de verspreiding van de in Nederland geproduceerde dierlijke mest zonder milieuregels te overtreden. Daarnaast is het van het soort mest afhankelijk hoe deze moet worden uitgereden. De Nederlandse regelgeving, waaronder de Meststoffenwet, is een uitwerking van Europese regelgeving.

Bovenstaande wekt administratieve creativiteit in de hand bij een agrariër die geconfronteerd wordt met een teveel aan mest. Eén voorbeeld hiervan was de afgelopen weken veelvuldig in het nieuws en zag op het grote aantallen meerlingen dat klaarblijkelijk werd gebaard door de Nederlandse veestapel. Dit opvallend gegeven kwam aan het licht ten gevolge van een onderzoek dat onlangs werd uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in samenwerking met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO).

Aangenomen werd dat het feit dat Nederlandse koeien relatief vaak meerlingen krijgen geen genetische oorzaak heeft, maar vooral is gelegen in de op basis van Europese regelgeving tot stand gekomen mestquota. Door een kalfje administratief een andere moeder te geven, blijft de biologische moederkoe als “vaars” (een koe die nog niet heeft gekalfd) in de boeken staan. Een vaars telt vervolgens maar voor de helft mee bij de fosfaatproductie. Het gevolg hiervan is dat een melkveehouder minder aan fosfaatheffing hoeft te betalen.

Door de RVO wordt alles in het werk gezet om mestfraude te bestrijden en te voorkomen, onder andere door het opleggen van fikse boetes. Om een boete op te kunnen leggen is dan wel een wettelijke grondslag vereist. Voor zover die is gelegen in de Meststoffenwet moet die dan natuurlijk wel van toepassing zijn. Dat dit minder vaak het geval is dan door de RVO wordt aangenomen blijkt wel uit de volgende casus.

De bewoner van een kasteel met omliggend landgoed, bestaande uit 2,5 ha grasland en 2 ha fruitboomgaard, werd geconfronteerd met een aanzienlijke boete. Hem werd verweten de gebruiksnorm dierlijke meststoffen, alsook de fosfaatgebruiksnorm te hebben overschreden. Tegen deze boete werd bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Voor de toepasselijkheid van de Meststoffenwet is vereist dat er sprake is van een bedrijf. Volgens de RVO was hier dan ook sprake van een bedrijf. De gebezigde redenering deed hierbij in creativiteit niet onder voor de klaarblijkelijke oorzaak van het aantal meerlingen dat de Nederlandse veestapel produceert. In bezwaar en beroep werd door ons namens de kasteelbewoner aangevoerd dat er geen sprake was van enig bedrijfsmatig handelen en dat het landgoed zodoende niet onder het toepassingsbereik van de Meststoffenwet viel. De rechter was het hiermee eens en oordeelde dat: “ ..er sprake moet zijn van de exploitatie van een bedrijf en dat de landbouwgrond daarvan deel moet uitmaken om onder het bereik van de Meststoffenwet te vallen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank pas te spreken van landbouw, in de zin van de Meststoffenwet, als sprake is van enig bedrijfsmatig handelen.”

Het beroep werd dan ook gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

In bovenstaande uitspraak werd de uitleg die de RVO aan het begrip landbouwbedrijf geeft door de rechter dus beperkt.

Tevens komt het voor dat al dan niet agrariërs niet alleen bestuursrechtelijk beboet worden, maar zich tevens voor de politierechter dienen te verantwoorden voor hetzelfde feit. Maar dat is een ander verhaal.

Heeft u ook een geschil met de RVO. Neem dan contact met Van Dijk c.s. Advocaten op om de mogelijkheden te bespreken.